In december 2020 publiceerde de Werkgroep Wachttijden van SGGG, in samenwerking met de Leerstoel Public Mental Health van de Universiteit Antwerpen, een uitgebreid rapport over de lengte en beleving van wachttijden in de Vlaamse geestelijke gezondheidszorg. Het rapport, getiteld Wachten op Psychische Hulp, brengt voor het eerst op grote schaal in kaart hoe lang mensen effectief wachten op hulp, en wat de impact van dat wachten is op hun welzijn.
Opzet van het onderzoek
In september en oktober 2020 werd via verschillende kanalen een online vragenlijst verspreid, gericht op mensen die de voorbije twee jaar psychische hulp zochten voor zichzelf of voor een kind. De bevraging werd 1.597 keer volledig ingevuld: 1.156 keer door mensen die voor zichzelf invulden, en 441 keer door mensen die invulden voor een kind of jongere. Het onderzoek werd uitgevoerd door Prof. dr. Kris Van den Broeck, Prof. dr. Inge Glazemakers en Eva Rens van de Universiteit Antwerpen, in opdracht van de Werkgroep Wachttijden van SGGG.
Waarvoor zocht men hulp?
Volwassenen zochten hulp in de eerste plaats omwille van depressieve gevoelens (61,4%), gevolgd door stress (43,7%), angst (36,1%) en het meemaken van een traumatische gebeurtenis (31,9%). Bij kinderen stonden problemen in de sociale interactie op de voorgrond (47,2%), naast leer- en schoolproblemen (32,9%) en gedragsproblemen (31,1%). Bij de overgrote meerderheid van de deelnemers waren de klachten al aanwezig voor de coronamaatregelen van maart 2020.
Wachttijden: grote verschillen per hulpvorm
Volwassenen
Voor hulp bij een zelfstandige psycholoog zijn de wachttijden bij volwassenen relatief kort: twee op drie deelnemers (67,2%) kon binnen de maand terecht. Bij een zelfstandige psychiater kon iets meer dan de helft (53,8%) binnen de maand geholpen worden. Voor een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) liggen de wachttijden echter aanzienlijk langer: slechts 39,9% kon binnen de maand terecht, terwijl 23,2% langer dan een half jaar moest wachten en 10,7% zelfs langer dan een jaar. Op het moment van de bevraging stond 15,9% van de volwassen deelnemers, gelijk aan 184 personen, effectief op een wachtlijst.
Kinderen en jongeren
Voor kinderen en jongeren zijn de wachttijden over het algemeen langer dan bij volwassenen, en de situatie is het meest nijpend voor gespecialiseerde diensten. Bij een CGG jongerenteam kon slechts ongeveer een op vijf deelnemers binnen de maand terecht, en 40% moest langer dan een half jaar wachten. Bij een Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen (COS) kon slechts 19% binnen de drie maanden geholpen worden, terwijl bijna de helft langer dan een half jaar wachtte. De situatie voor Centra voor Ambulante Revalidatie (CAR) en thuisbegeleiding rondom autisme is het meest zorgwekkend: meer dan de helft van de ouders moest voor een CAR langer dan een jaar wachten, en voor thuisbegeleiding autisme wachtte 54,1% langer dan een half jaar, 15% zelfs langer dan twee jaar. In totaal gaf 44,7% van de invullers voor een kind aan dat het kind momenteel op een of meerdere wachtlijsten staat, wat overeenkomt met 197 kinderen.
De impact van het wachten
Het wachten blijft niet zonder gevolgen. Bij ongeveer de helft van de volwassen deelnemers verergerde de toestand tijdens de wachtperiode. Bij kinderen was dit zelfs bij een op twee het geval. Naast de verslechtering van de klachten zelf, rapporteerden deelnemers een reeks bijkomende negatieve effecten: twijfels over het verderzetten van de hulpvraag, escalatie en suicidegedachten, gevoelens van in de steek gelaten worden, verlies van vertrouwen in de hulpverlening, financiële gevolgen en impact op het werk. Voor ouders van kinderen op een wachtlijst werd ook overbelasting als mantelzorger regelmatig vermeld, net als de negatieve impact op het hele gezin en op de schoolloopbaan van het kind. De onderzoekers stellen vast dat de klachten door de lange wachttijden kunnen escaleren tot acute situaties die bij tijdige hulp vermeden hadden kunnen worden.
Tegenover de wanhoop staat voor sommigen ook hoop: de wetenschap dat hulp op komst is, geeft voor een deel van de wachtenden perspectief en enige rust. Tijdens de wachtperiode zoekt de meerderheid steun bij vrienden of familie (61,5%), of belt naar andere beschikbare hulpverleners zoals de huisarts (51,6%). Een deel gaat op zoek naar alternatieve therapieën of zelfstudie, en een kleinere groep past helaas ook schadelijke copingstrategieën toe.
Conclusies en aanbevelingen
Op basis van de bevindingen formuleert de Werkgroep Wachttijden drie centrale conclusies. Ten eerste is de nood het hoogst bij kinderen en jongeren, in het bijzonder voor diensten gericht op ontwikkelingsstoornissen zoals COS, CAR en thuisbegeleiding rondom autisme, maar ook voor CGG en psychiatrische ziekenhuizen. Ten tweede zijn de wachttijden over het algemeen langer voor terugbetaalde ambulante en mobiele behandeldiensten dan voor residentieel aanbod en privépraktijken, wat problematisch is omdat ambulante en mobiele zorg de voorkeur verdient boven een ziekenhuisopname. Ten derde verslechteren de klachten in de helft van de gevallen tijdens de wachtperiode, wat leidt tot een grotere zorgnood en het risico op escalatie.
De werkgroep formuleert zes concrete aanbevelingen: meer onderzoek naar de determinanten van wachttijden, verdere ondersteuning van de eerste en tweedelijns geestelijke gezondheidszorg, uitbreiding van de capaciteit voor kinderen en jongeren met een (vermoeden van) ontwikkelingsstoornis, het voorzien van wachttijdondersteuning voor mensen op een wachtlijst, de invoering van centrale aanmelding en indicatiestelling, en ten slotte een structurele en uniforme registratie van wachttijden in Vlaanderen naar het model van Nederland.
Het volledige rapport is beschikbaar via de Outputpagina.